|
Fouad Laroui: tussen Marokko, Frankrijk en Nederland
Uit: Franstalige literatuur van nu. Een vreemd soort
geluk (De Geus, 2003)
Door Margot Dijkgraaf
Fouad Laroui, schrijver van een in het Frans geschreven en in het
Nederlands vertaalde romantrilogie schreef over de manier waarop
hij taal beleeft en met taal omgaat: `Bewust of onbewust heb ik
altijd een taal gezocht die me in staat zou stellen me van de
taal te ontdoen. De taal is voor mij een mengelmoes van woorden
die ieder naar valse gevoelens, absurde geloven en handjeklap van
oneerlijke handelaren verwezen. “Habibi, habibi,
lieverd, kom hier zodat ik je kan zoenen en je tegelijkertijd kan
vermorzelen", leek de dikke tante te zeggen die de taal besmette
met haar dubbelhartigheid. Daar komt nog bij dat ik heel vroeg al
een hekel heb gekregen aan bijgeloof, aan de verhalen van djinns,
aan hekserij en de beleefdheidsfrases waar de huichelachtigheid
vanaf druipt. Mijn moedertaal was door dat alles vervuild. Van jongs
af aan verwierp ik haar met afschuw. Ik zocht een heldere taal zoals
je een schijnsel zoekt in een maanloze nacht.'
Fouad Laroui (1958) dacht eerst deze taal, `een taal die niets meer
en niets minder zegt dan wat ik wil zeggen', in het Frans gevonden
te hebben -totdat hij lang genoeg in Frankrijk woonde om ook met
het Frans onwillekeurige, ongewenste associaties te krijgen die
de zuivere beleving van het Frans vertroebelden. Tijdens een verblijf
in Groot-Brittannië gebeurde na verloop van tijd hetzelfde:
`Ik kwam terug uit Engeland, door mijn collega's blijkbaar benijd,
getooid met de titel van bijna-native-speaker, dat wil
zeggen van bijna-vastgezogen in de modder.' Vervolgens vestigde
Laroui zich in Nederland en leerde er een taal die hij `in kristalheldere
puurheid heeft bemind': `De woorden verwezen naar niets, noch naar
mijn tante noch naar de dahirs van de sultan noch naar
de voorschriften van de profeet. Wat ik te zeggen had, kostte me
nooit meer dan vijf minuten per dag, alles inbegrepen.' Maar ook
aan het gebruik van deze taal gingen, na verloop van tijd, associaties
kleven en raakte zo `vervuild'.
Laroui, werd geboren in Marokko, ging daar naar een Franse school
en behaalde titels aan twee Franse grandes écoles.
Als wetenschapper was hij achtereenvolgens verbonden aan universiteiten
in York, Versailles en Amsterdam. In zijn literaire werk hanteert
Laroui, Fouadeen célineske stijl, waarin dialogen worden
afgewisseld met spreektaal die velerlei invloeden verraadt. Zijn
intrige onderbreekt hij regelmatig met filosofische overpeinzingen,
geestige opmerkingen en woedende woordexplosies.
Zijn tweede boek, De quel amour blessé[rv]Laroui,
Fouad De quel amour blessé[rw], noemt hij wel `een
ode aan de tolerantie'. `Iedereen moet beseffen', zegt hij, `dat
verdraagzaamheid misschien wel een fait accompli is in West-Europa,
maar dat dat zeker niet geldt voor de rest van de wereld. Het is
onze taak, als intellectuelen afkomstig uit Noord-Afrika, ervoor
te zorgen dat ook de islamitische landen verdraagzamer worden. Iedereen
moet er iets aan bijdragen, ook al zal het nog wel even duren voordat
de tolerantie daar een feit is.'
` `Mijn eerste roman, Les dents du topographe ging over
identiteit. De hoofdpersoon is een Marokkaanse jongen in Frankrijk
die zich afvraagt of hij nu Marokkaan of Fransman is. Mijn tweede
boek, De quel amour blessé gaat over tolerantie
en het derde boek van mijn trilogie, Méfiez-vous des
parachutistes gaat over het individu. In Europa bestaat het
begrip individu dankzij de Verlichting, maar in Afrika definieer
je jezelf als lid van een familie, een stam, een volk of een commune.
In je denken en je handelen volg je het algemene gevoel. Als Tutsi
dood je dan een Hutu of andersom. Maar als je beseft dat je in de
eerste plaats een individu bent, met je eigen kwaliteiten en eigenschappen,
dan neem je afstand van het intolerante, het irrationele. De allochtone
jongeren in Nederland of Frankrijk die zich afvragen of ze nu Turk,
Marokkaan, Nederlander of Fransman zijn, moeten zich realiseren
dat ze het antwoord in zichzelf dienen te zoeken. Welke keuze ze
maken hangt ook af van de politiek van het land. In Nederland blijf
je Turk of Marokkaan tot aan de derde of vierde generatie, ook al
ben je in Nederland geboren. Er wordt zelfs overheidsgeld gestoken
in opleidingen in "eigen taal en cultuur", wat ik heel
vreemd vind. Je plaatst die jongeren zo weer in een soort "uitheemse"
context. In Frankrijk, een land met een hele sterke republikeinse
traditie, ben je Fransman als je in Frankrijk geboren bent, met
alle rechten en plichten van dien. Dat maakt het gemakkelijk je
als Fransman te definiëren. Jongeren hebben dan veel minder
problemen met hun identiteit, het racisme en het Front National
ten spijt.'
De culturele referenties in zijn literaire werk zijn universeel,
verwijzen naar Argentijnse, Italiaanse en Tsjechische auteurs, maar
verraden ook Arabische en Franse invloeden. `Schrijven is voor mij
altijd een hobby geweest, iets voor in de avonduren,' zegt Laroui
`maar wel een die ik serieus neem. Het manuscript van mijn eerste
roman kwam onder het stof vandaan bij mijn verhuizing naar York.
Ik heb in de bibliotheek van het Maison Descartes wat adressen van
Franse uitgevers opgezocht en tot mijn verbazing werd mij binnen
drie weken een contract geboden.'
Larouis stijl is zonder meer vernieuwend te noemen - een uitdaging
voor iedere goede vertaler. Hij schrijft op een ongedwongen, vrije
manier, brutaal en uitdagend en hij beschikt over een vlijmscherpe
humor, waar met name de Marokkaanse samenleving vaak het doelwit
van is.
Ontheemding, hoe om te gaan met het verlies van moedertaal en vaderland,
hoe overeind te blijven, en sterker nog, een nieuwe plaats te veroveren
in het `land van aankomst' - het zijn thema's bij vele interculturele
auteurs. Laroui gaat ze te lijf met een bijzonder talig zwaard.
|